Denekamp Denekamp is een dorp gelegen in de gemeente Dinkelland.
De gemeente ligt in het noordoosten van Twente en grenst aan het grondgebied
van de Duitse gemeente Nordhorn. Denekamp ligt in een agrarisch en toeristisch/recreatief
gebied. Sinds de jaren vijftig ontwikkelde zich er ook de industrie, geconcentreerd
op de industrieterreinen aan de noordkant van het dorp. Geschiedenis van Denekamp Welke volksstam in Twente en met name in de streek
Denekamp gewoond heeft, is niet met zekerheid vast te stellen. Opgravingen
op de Borghert en De Klokkenberg (nu woonwijken met deze namen) hebben
destijds interessante details blootgelegd. Vroeger zijn hier Romeinen
geweest. Rond de 8e eeuw wordt Denekamp samen met Noord-Deurningen genoemd
als een deel van het zogenoemde kerspel Ootmarsum. Denekamp is ontstaan
op een plek waar men buiten bereik was van het overstromingswater van
de nu nog langs Denekamp lopende riviertje de Dinkel. De gronden in en
rond Denekamp waren tot 1527 voor het overgrote deel eigendom van de bisschop
van Utrecht. Rond de 15e eeuw was de plaats Denekamp een betrekkelijk
klein dorp met amper 100 huizen, verspreid langs een enkele dorpsstraat
in de nabijheid van de kerk. Deze kerk was in de 13e eeuw opgetrokken
uit 'Bentheimer zandsteen'. De toren omstreeks 1436 aangebouwd. De kerk
is gewijd aan de heilige Nicolaas, en vormt nog steeds het centrum van
het dorp. De mensen in het dorp waren veelal landbouwer. Doordat Twente
een moeilijk te bereiken gebied was, wisten invloeden van buitenaf het
gebied niet te bereiken. Dit had tot gevolg dat veel tradities en gebruiken
eeuwenlang in stand werden gehouden. Tegenwoordig koestert men die oude
tradities en gebruiken. Op talloze manieren zijn de historie, de cultuur
en de folklore verankerd in het leven van alle dag. Te denken valt daarbij
aan het dialect (platproat'n), de geveltekens op de boerderijen, het midwinterhoornblazen
tijdens de Adventsperiode en de 'noaberplicht'. Maar hét folkloristische
gebeuren in Denekamp concentreert zich onder de noemer van 'Denekamper
Paasgebruiken'. Op eerste paasdag wordt onder leiding van de uit het midden
van de jonge Denekampse gemeenschap gekozen zogenaamde Judas en Iscarioth
een paasstaak gehaald op het landgoed Singraven. Deze wordt vervolgens
naar het dorp gesleept met hulp van ieder jaar weer duizenden toeschouwers.
De stoet vormt een lange keten van mensen, die elkaar bij de hand vasthouden.
Een soort 'menselijk touw'. In Denekamp aangekomen gaat de stoet naar
de paasweide. Daar wordt de paastaak opgezet bij een enorme berg 'paashout'
en verkocht aan de hoogste bieder onder de aanwezigen. Dit gebeurt in
onvervalst plat dialect. 's Avonds wordt het paasvuur ontstoken. Toeristische attracties Huis Singraven Park en Arboretum Landgoed Singraven Ook een bezichtiging van het Park en Arboretum
is zeer de moeite waard. Het tuin- en landschapsontwerp en de bijzondere
planten die u er kunt zien zijn in alle jaargetijden een lust voor het
oog. Watermolens Singraven Museum Natura Docet St. Nicolaaskerk Museum Huize Keizer Windmolens In Denekamp staan twee windkorenmolens, waarvan
de Molenstichting Lattrop-Tilligte eigenaresse en exploitant is, de St.
Nicolaasmolen en de Borgelinkmolen. De St. Nicolaasmolen: De Borgelinkmolen:
Dinkelhuisje (Sluizenhuisje/Schuivenhuisje)
Spoorhuuske Het voormalige Raadhuys Ned. Hervormde Kerk Klöpkeshoes Zwemmen in zwembad Dorper Esch Monumenten Kloosterzustermonument Monument Meester Dingeldein St. Nicolaasbeeld Mariaklok Köttelpeer'nkearlke Maquette oude
centrum van Denekamp Vredesmonument Jodenmonument Joods monument Dorpspomp Joodse begraafplaatsen Aan de Knik in Denekamp liggen twee voormalige
Joodse begraafplaatsen. De "oude" begraafplaats werd gebruikt
van 1800-1899 en telt 18 grafstenen. Vier van de 18 grafstenen dragen
de familienaam Ten Brink. De oudste grafsteen
op deze oude begraafplaats dateert van 1817 en is die van Esther Hompes-Bendien.
De jongste grafsteen is die van Salomon
Suskind, die hier in 1899 ter aarde werd besteld. Na dit jaar werd deze
begraafplaats vervangen door een andere. Deze laatste begraafplaats werd
tot 1939 gebruikt en telt 26 grafstenen. De geschiedenis van de Joden in Denekamp gaat
terug tot het begin van de achttiende eeuw; bronnen maken melding van
Joodse inwoners in 1720. De Joden uit Denekamp vormden samen met die van
Ootmarsum een gemeente. Aanvankelijk werd gebruik gemaakt van een begraafplaats
aan de Almelose Straatweg in Ootmarsum, vanaf het begin van de negentiende
eeuw werd begraven in Denekamp op een begraafplaats aan de toenmalige
Grave Es (nu de Knik). Beeld Johan van de Kul Op het Nocolaasplein nabij de ingang van het
VVV kantoor staat sinds 2009 een nieuw standbeeld. Tijdens de jubileumreceptie
van carnavalsvereniging de Köttelpeer'n werd een
standbeeld onthuld. Het standbeeld stelt Johan van de Kul voor; de grondlegger
van horecagelegenheid De Kul en eerste prins van de Köttelpeer'n. Traditie's en gebruiken Paasgebruiken Mirweenterhoarnbloaz'n Foto's: Onbekend, gemeente Dinkelland, Heemkunde Denekamp,
Het
prachtige Huis Singraven bevindt zich op het landgoed met dezelfde naam,
het landgoed Singraven. Vanuit de bebouwde kom van Denekamp is het via
de Molendijk te bereiken, Tegenover het landgoed ligt een vrij toegankelijk
en gratis te gebruiken parkeerplaats. Vanaf de Ootmarsumsestraat is Huis
Singraven te bereiken via een lange fraaie laan met aan weerszijden een
dubbele rij eikenbomen. Vlak voor het landgoed kruist deze laan de Molendijk.
Op dat punt heeft men een prachtig uitzicht op het achter een ijzeren
toegangspoort gelegen kasteelmuseum, want daartoe dient het nu al vele
jaren. Het Huis Singraven dateert van 1415. Roelof Hondenberg is de bouwer
ervan, maar in de loop van de eeuwen zijn er vele verbouwingen geweest.
Huis Singraven werd in 1505 verkocht aan Frederick van Twickel. Nauwelijks
waren de 'Twickels' eigenaar geworden, of zij droegen het bezit alweer
over aan het Convent der derde orde van St. Franciscus, waarna de begijnen
van Oldenzaal er in trokken. Slechts tien jaar is Singraven eigendom van
het klooster van Oldenzaal geweest. De nieuwe eigenaar werd vervolgens
Everwijn II van Bentheim. Het huis wisselde nadien geregeld van eigenaar,
waaronder Gerard Sloet. In 1661 wist Sloet het huis aanzienlijk te verfraaien
met onder meer het prachtige torentje voor de hoofdingang. Onder de Deense
architect Pictorius is het trappenhuis tot stand gekomen. Weer later kwam
Huis Singraven door huwelijk in het bezit van de Thouars. In 1829 verkocht
dit geslacht het huis als mede het landgoed aan Mr. Johannes Theunis Roessingh
Udink die een jaar later burgemeester van Denekamp werd. In 1915 werd
Jan Adriaan Laan, lid van de 1e kamer der Staten Generaal, de nieuwe eigenaar.
Hij woonde in Overveen en wilde Huis Singraven als een soort 2e onderkomen
gebruiken. Lang heeft Laan er echter geen plezier van gehad, want in 1918
overleed hij in Overveen. Zijn zoon, Mr. Willem Frederik Laan en zijn
dochter Agatha Laan erfden toen het huis alsmede het landgoed. In 1922
overleed Agatha, waarna haar broer enig eigenaar werd. Deze Mr. Willem
Frederik Laan zette in zekere zin het werk van Pictorius voort door in
1922 de voorgevel in overeenstemming te brengen met de architectuur van
de toren, waardoor het toen een imposanter geheel is geworden. In 1959
heeft laan het huis alsmede het gehele landgoed verkocht aan de Stichting
Edwina van Heek en dan voor de symbolische som van ƒ. 1,00. In 1966 is
Mr. W.F.J. Laan gestorven. In het Huis Singraven, dat nu dienst doet als
museum, zijn prachtige meubels uit de 17e en 18e eeuw. De wanden en vloeren
zijn versierd met mooie tapijten en gobelins. Zeer bezienswaardig zijn
voorts de bijzondere serviezen en al het oude zilveren bestek. In het
huis bevindt zich tevens een omvangrijke bibliotheek en de vele in leer
gebonden boeken geven deze bibliotheek een wat deftig aanzien. Tevens
zijn in het kasteel enkele familiearchieven ondergebracht.
Vlakbij
Huis Singraven en eveneens gelegen aan de Molendijk bevinden zich de vermaarde
watermolens van het Singraven, onlosmakelijk gekoppeld aan het landgoed
Singraven en ze worden als het meest waardevolle onderdeel van het landgoed
beschouwd. Sinds 1659 worden deze watermolens de grootste en beste van
Twente genoemd. Ze zijn een waar pronkjuweel en dat moge blijken uit het
feit, dat deze molens vele malen geschilderd zijn waaronder door de schilders
Meindert Hobbema (1638-1709) en Jacob van Ruisdael (1628-1682). Zodra
de schutten voor de raderen worden opgetrokken, stort het water van de
Dinkel zich in een brede stroom op de raderen van de molen, waardoor die
beginnen te draaien. In de molen begint dan het zaagraam met zagen van
de voortschuivende boom. Planken en ook dikke balken zijn de eindproducten.
Daarnaast malen molenstenen de harde graankorrels tot meel. Tot in het
begin van de 20e eeuw werd zelfs via de derde molen raapzaad tot olie
geperst en gerst tot gort gepeld, maar deze activiteiten behoren nu tot
het verleden.
Natura
Docet is het oudste natuurhistorische museum van Nederland. De naam betekent
letterlijk 'de natuur onderwijst' en dat was en is nog altijd de grote
doelstelling van dit unieke nationale museum: het tentoonstellen van alles
wat dit gebied aan specifieke fauna en flora en aan bodemschatten te bieden
heeft. Al meer dan een eeuw geleden werd door de Denekampse dorpsonderwijzer
Meester Bernink de basis gelegd. Hij trok de natuur in en verzamelde alles
wat hem interessant leek. Mede dankzij de steun van een aantal Twentse
fabrieken in die tijd was het hem mogelijk in 1911 een eigen museum te
openen. Een museum temidden van de natuur, waaruit hij zijn schatten verzamelde.
Zijn werk trok de aandacht van bekende vaderlandse biologen en archeologen.
Wie kent hun namen niet: Heimans, Thijsse en professoren als dr. Hugo
de Vries, dr. Tom van der Hammen, dr. A. Cleef en dr. H. Hooghiemstra.
Vele studenten van hen bezochten Natura Docet en ze deden er hun onderzoek
in de natuur in deze regio tot ver over de grens met Duitsland. Sinds
1996 is Natura Docet een provinciaal museum. Nog altijd ademt het de oude
sfeer uit met haar expositie van de vele vondsten en schenkingen in de
diverse zalen en in 'ouderwetse' vitrines. Natuurlijk wordt bij exposities,
lezingen en overige bijeenkomsten gebruik gemaakt van wat de technologie
de laatste eeuw ook aan mogelijkheden heeft voortgebracht met haar computer-,
video-, en virtuele presentaties. Maar, Natura Docet biedt nog altijd
iets onovertrefbaars: de 'aanraakbare' natuur, die ons heel veel leert
over ondermeer de herkomst van het landschap in deze streek. Daarnaast
zijn er regelmatig unieke exposities, over heel interessante onderwerpen,
uiteraard allemaal met de natuur in al haar facetten als basis. Duizenden
bezoekers, jong en oud, komen jaarlijks een bezoek brengen aan dit museum,
dat de afgelopen jaren een schitterende interne renovatie heeft ondergaan
met ondermeer het plaatsen van oorspronkelijke vitrines. Aan de aanleg
van een grote natuurtuin wordt nu gewerkt. De voormalige directeurswoning
is inmiddels omgebouwd tot onderdeel van het museum. Twee zeer omvangrijke
en zeer spraakmakende exposities van internationale allure waren de geweldige
'Dinotentoonstelling' in 1991 en de 'Walvistentoonstelling' in 1996. Exposities
waarvoor een tijdelijke uitbreiding van het museum noodzakelijk was. De
stichter, meester Bernink, overleed in 1954 op 76 jarige leeftijd. De
leiding van het museum was tussen 1955 en 1977 in handen van zijn dochter
Heleen Bernink.
De
St. Nicolaaskerk van Denekamp heeft een rijke historie, niet in het minst
door haar beroemde klokken. In het register van kerkelijke tienden uit
het jaar 1276 komt Denekamp voor het eerst voor als een zelfstandige parochie.
Het eerste kerkje was een bescheiden ruimte van 10x10 mtr. Midden 14e
eeuw werd de kerk aan de westkant uitgebreid, pas in 1436 is de toren
gerealiseerd. Het geheel is gebouwd van Bentheimer zandsteen. In 1810
is de kerk weer aanmerkelijk vergroot, door er een kruiskerk van te maken.
Ruim honderd jaarlater besloot men opnieuw tot een uitbreiding. Het in
1810 aangebouwde stuk werd weer afgebroken en daarvoor in de plaats kwam
de veel grotere koepelkerk, een ontwerp van de architect Ter Riele uit
Deventer. De koepelkerk is voorzien van zinnebeeldige muurschilderingen,
die in 1976 weer zijn gerestaureerd. Prachtig zijn ook de gebrandschilderde
ramen van de vier generaties Nicolaas. Verder zijn er nog enkele gebrandschilderde
ramen van de glazenier Schoenaker uit Oldenzaal. Bij de scheiding van
de oude en nieuwe kerk staat boven in de boog de afbeelding van St. Nicolaas
op het paard, uit lindehout gesneden. Ook bijzonder is de prachtige Drieëenheidsgroep
met de twee engelen die het rechter zijaltaar siert. Deze beeldengroep,
in barokstijl uit eikenhout gesneden, stamt uit het begin van de 18e eeuw
en is afkomstig van 'Kloster Frenswegen' (daterend uit de 16e eeuw).
De
Drie klokken, boven in de toren, nemen een belangrijke plaats in bij de
Denekamper bevolking. Bij het beieren wordt de grootste klok geluid, (door
een speciaal daartoe functionerende vrijwillige beierclub), terwijl bij
de andere twee klokken de klepel tegen de wand wordt geslagen. Zo ontstaat
dan een melodie in vierkwartsmaat. De twee zogenoemde Westerhues klokken
zijn gegoten door de Munsterse klokkengieter Wolter Westerhues. Het zijn
de St. Nicolaasklok uit 1518 en de St. Salvator uit 1530. De laatste is
met haar ruim 2000 kg één van de zwaarste luidklokken in Twente. Vanwege
een scheurvorming is de Mariaklok uit 1436 in 1986 vervangen door een
nieuwe Mariaklok, gegoten door Eysbouts in Asten. De oude Mariaklok staat
buiten, naast de St. Nicolaaskerk, als monument opgesteld. In 1995 zijn
de klokken weer in een originele eiken houten klokkenstoel opgehangen.
Sinds eind 1991 is op de eerste verdieping van de St. Nicolaastoren een
permanente expositie ingericht over de klokken van Denekamp. In woord
en beeld worden tradities en lotgevallen van één van Denekamps oudste
en beroemdste monumenten door de eeuwen heen getoond.
In
Denekamp staat vlakbij de St. Nicolaaskerk de karakteristieke voormalige
winkel van, zoals het in de volksmond heet, de 'dames Keizer'. Het bouwwerk
is door zijn omvang en stijl een voorbeeld van een laat patriciershuis
met winkel en het dateert uit het begin van de 19e eeuw. Het vroegere
comestibles winkeltje ademt nog echt de sfeer van grootmoeders tijd. Ook
de oude slaapkamers stammen uit die tijd en er is zelfs nog een heuse
bedstede. Verder is de uit 1880 daterende inrichting van de 'pronkkamer'
beslist het bekijken waard. In de eveneens in het pand ondergebrachte
vroegere rookkamers hangt ook nu nog de lucht van de gerookte hammen.
Eind 19e eeuw en begin 20e eeuw was namelijk in het pand een hamrokerij
annex winkel gevestigd. Het huis is in 1976 geheel gerestaureerd en fungeert
sindsdien als winkel-woonhuis-museum. In het zogenaamde koetshuis van
Huize Keizer worden regelmatig wisseltentoonstellingen gehouden.
Bij
het verlaten van Denekamp richting Ootmarsum, is deze molen aan de rechterkant
van de straat zichtbaar. De St. Nicolaasmolen wordt door de Denekampers
ook wel "Nije Möll" genoemd. Deze fraaie zogenoemde grondzeiler
is in 1859 gebouwd en in 1976 gerestaureerd. De St. Nicolaasmolen is gebouwd
op een belt van circa 1½ meter hoogte. Deze
8-kante grondzeiler heeft een veldmuur, waarboven de romp en de kap bedekt
zijn het eikenhouten schaliën. De molen heeft fokwieken met remkleppen,
een vlucht van 22 meter en 26 hekstokken. Bovendien is de molen voorzien
van twee koppels maalstenen.
Deze
recent gerestaureerde molen aan de Lattropperstraat binnen de bebouwde
kom van Denekamp, staat op het vroegere kamp 'Het Rot'. De Borgelinkmolen
wordt door de Denekampers ook wel "Oale Möll" genoemd. Deze
zogenaamde bovenkruier heeft fokwieken met remkleppen, 27 hekstokken en
een vlucht van 23 meter. De molen heeft twee koppels maalstenen. Voor
deze molen zijn in het restauratiejaar 2002 vijf inwoners van de Knik,
de buurt waarin de molen staat, opgeleid tot vrijwillige molenaar. De
Borgelinkmolen is een achtkantige stellingmolen op een stenen onderstuk,
bedekt met een rieten kap. De oorspronkelijke molen dateert uit 1816,
maar ze werd in 1846 grotendeels door brand verwoest. Vrij snel, namelijk
in 1849, is de molen weer hersteld. Maar ook bij deze molen begon de moderne
tijd gevolgen te krijgen en zo werd al in 1904 een 8 pk benzinemotor geplaatst
en in latere jaren werden, jammer genoeg, de wiekenkap en stelling zelfs
verwijderd.
Waar
het landgoed Singraven tot het kanaal Almelo-Nordhorn reikt, zorgt de
kruising van de Dinkel met dit kanaal, als vaarweg allang afgedankt, voor
een heel opmerkelijk plekje. De Dinkel en de Omdinkel (lang geleden gegraven
om de watermolen van 't Singraven van stromend water te voorzien) komen
ten zuiden van het kanaal samen. Even voordat de Dinkel en Omdinkel weer
samen komen en via twee duikers onder het kanaal wordt doorgeleid, splitst
de Dinkel zich opnieuw. De zijarm ervan komt wat verder in het kanaal
uit. Tegenover deze plek staat op de oever een merkwaardig smal gebouwtje,
aan het einde van de 19e eeuw gebouwd en in Denekamp het Dinkelhuisje
genoemd, zorgde ervoor dat tot 1904 het water onder de zes bogen door
via de schutsluizen zijn weg kon vervolgen in de erachter liggende veel
lager gelegen zijtak van de Dinkel. Als gevolg van de sterke trek waarmee
het Dinkelwater het kanaal instroomde, werden passerende schepen naar
de overkant geduwd en dit had tevens tot gevolg dat het kanaal dichtslibde.
Daarna is de Dinkel in 1904 via grote duikers onder het kanaal doorgeleid.
Dit aquaduct wordt wel als het oudste van Nederland gezien.
Grenzend
aan het marktplein, maar enigszins verscholen staat het oude stationsgebouwtje,
met de treffende naam Het Spoorhuuske. Het is het enige overblijfsel dat
nog doet herinneren aan de tijd dat tussen Denekamp en Oldenzaal een tram
liep. Tot 1936 heeft het nu totaal gerenoveerde 'spoorhuuske' gefungeerd
als het eindstation van die tramdienst. Men kocht er de kaartjes en wachtte
in de kleine wachtkamer op de komst van de tram, die in nog geen half
uur het traject naar het station in Oldenzaal aflegde. Vanaf dat station
kon men dan per trein verder reizen. Op 14 mei 1936 reed de laatste tram
op het traject Denekamp-Oldenzaal. Tot eind juli 1942 werd de lijn nog
gebruikt voor goederenvervoer. Daarna werden de rails door de Duitse bezetter
opgebroken en gebruikt in de frontlinie bij Stalingrad. De bekende Denekamper
globetrotter Antoon Damhuis heeft het huisje gebruikt als woning. Vandaar
uit reisde hij de wereld door. Daarna lag het voormalige spoorhuisje er
vele jaren vervallen bij, maar na veel voorbereidend werk door een enthousiaste
groep vrijwilligers kon het op 28 augustus 2001 geheel gerestaureerde
stationsgebouwtje worden heropend en ging het fungeren als wereldwinkel,
waarin Derde Wereld-producten kunnen worden gekocht.
Aan
het Nicolaasplein en dan op de hoek met de Grotestraat staat het oude
gemeentehuis, het vroegere 'raadhuys' in een neo-classicistische bouwstijl.
Dit raadhuis werd als gemeentehuis op 19 maart 1921 officieel geopend
door de toenmalige burgemeester van Denekamp, G.W. Hoogklimmer en heeft
tot 1980 dienst gedaan. Het huis heeft twee verdiepingen met op de 1e
verdieping de oude raadszaal annex trouwzaal. In het timpaan op de middentravee
is een wapen met guirlandes gebeeldhouwd in zandsteen. Tevens valt het
fraaie balkon met balustrade in het oog. Verder zit er een fraai trappenhuis
in, terwijl het grote prachtige gebrandschilderde raam werd geschonken
door de hiervoor genoemde burgemeester Hoogklimmer.
Op 12 juni 1809 besliste de koning van Holland,
Koning Lodewijk Napoleon, tijdens zijn rondreis door Twente, dat aan de
hervormden in dit overwegend rooms-katholieke deel van Twente vergunning
moest worden verleend om een eigen kerk te bouwen. Het werd een zogenoemde
'waterstaatskerkje' in classicistische bouwstijl, in navolging van de
stijl, die de oude Romeinen en Grieken toepasten. De muren bestaan uit
donker genuanceerde en ijzerharde Isterberger baksteen. Bij gelegenheid
van het eeuwfeest in 1911 werd het slanke torentje geplaatst, dat toen
ook werd voorzien van een uurwerk. In maart 1946 kreeg de kerk een torenklok
(uit 1728) in bruikleen uit Oldenzaal, omdat de eerste klok door de Duitse
bezetter was weggehaald. De preekstoel is vermoedelijk afkomstig uit de
oude St. Nicolaaskerk en is waarschijnlijk in 1797 door timmerman Bloemkamp
vervaardigd. Achter het decor van het rijke roomse leven in deze streek
gaat een bewogen stuk Protestantse geschiedenis schuil. In 1829 is Mark
Anton de Thouars voor de ingang van de kerk begraven. Voorts is er nog
een grote zerk, die de stoffelijke resten dekken van Georgette Cornelia
Marquise de Thouars, overleden 1 juli 1825 en haar lievelingsbroer Constantijn
Onno.
Aan
de Mekkelhorsterstraat in de buurtschap Berghum staat sinds maart 1988
een fraai herbouwd 'klöpkeshoes'. Oorspronkelijk heeft dit bouwwerkje
gestaan aan de Stroothuizerweg, op het erf van de familie Haafkes, waar
het lange tijd diende als schaapskooi, waarin destijds het nachtverblijf
van de herder, in deze streek 'n Schoap'n Peter', genoemd was ingebouwd.
Wat is een klöpkeshoes? Tijdens de wisseling van de 19e naar de 20e eeuw
was het te vinden op Twentse boerenerven. Het waren woningen van ongehuwde
vrouwen, die veel tijd doorbrachten met bidden. In roerige tijden van
het christendom riepen zij vanuit hun 'vrome onderkomens' de rooms-katholieken
op tot het bijwonen van geheime kerkdiensten., die waren in die tijd namelijk
verboden. Zij deden dat door op de deuren van de woningen te kloppen,
vandaar de naam 'klöpke' en 'klöpkeshoes' voor hun eigen onderkomens.
De aanwezigheid van een klöpkeshoes aan de Stroothuizerweg werd in 1957
ontdekt. Toen door de uitbreiding van een boerenbedrijf de bouwvallige
schaapskooi, inclusief het klöpkeshoes dreigde te worden opgeruimd, heeft
de VVV-Denekamp die bouwval in 1970 opgekocht, mede op aandringen van
derden en op advies van een plaatselijke architect. Een plaatselijke aannemer
bood de VVV aan het gratis vakkundig af te breken, zodat de onderdelen
weer gebruikt konden worden bij de herbouw aan de Mekkelhorsterstraat,
niet ver van de oorspronkelijke bouwplaats. In hun vrije tijd hebben de
buurtbewoners van Berghum het klöpkeshoes weer opgebouwd. Het is nu al
vele jaren doorlopend te bezichtigen, terwijl het eveneens een bijzondere
schuilplaats is bij slecht weer. Ook is erbij een picknickplaats ingericht,
die door passanten mag worden gebruikt.
Met
de Dinkel en het kanaal Almelo-Nordhorn in de buurt werd vóór
de Tweede Wereldoorlog al op diverse plaatsen in Denekamp en omgeving
gezwommen. Het Lutterzand, De Riest in Beuningen, het kanaal en zelfs
de Omdinkel bij de watermolen van Singraven waren geliefde maar ook gevaarlijke
locatie's om de zwemsport te beoefenen. Na de oorlog werd op initiatief
van de geestelijkheid en de gemeente op de plaats, waar de Dinkel in het
Harsseveld in en onder het kanaal doorstroomt, een eenvoudige maar legale
zwemplaats aangelegd, waar het gemengd zwemmen voorlopig niet was toegestaan.
Vóór 1940 was zwemmen in Denekamp uit de boze. Dat halfnaakte
gedoe was onkuis en nog eens levensgevaarlijk ook. In de Gele Beek mochten
de jongens pootje baden. Voor de meisjes betekende pootjebaden met de
rok omhoog een ‘doodzonde’, waaraan meneer pastoor menig corrigerend
woord gewijd zal hebben. Van massaal zwemmen was echter geen sprake. In
1957 werd een openluchtzwembad gebouwd op de hoek Oranjestraat-Molendijk.
Stormachtige debatten in de gemeenteraad gingen hieraan vooraf. Wethouder
Zengerink zette door, tegen de storm van bezwaren in, waarbij de vrees
voor zedeloosheid de ondertoon voerde. Daarna ontwikkelde zich een ongekend
fenomeen. De basis voor de zwemsport was gelegd. Na het openluchtbad volgde
in 1971 een overdekt instructiebad. In 1982 werd zwembad ‘Dorper
Esch’ met een 25 meter wedstrijdbad uitgebreid. In 1993 werd het
zwembadgedeelte uitgebreid met een recreatiebad. Inmiddels is het oude
instructiebad vervangen, doordat deze niet meer voldeed aan de eisen van
de tijd.
Dit
kunstwerk is in 1982 geplaatst als een eerbetoon aan de vele kloosterzusters
van het klooster in Noord-Deurningen, die zich sinds het midden van de
19e eeuw hebben ingezet voor de ziekenverpleging, de zorg voor de onbehuisden,
de bejaardenzorg en niet te vergeten het onderwijs in deze streek. Ze
kwamen als naamlozen en deden hun werk in stilte. Steeds vaker hebben,
door de jaren heen, de oudere religieuzen het werk moeten neerleggen,
terwijl onvoldoende novicen klaar stonden om de opengevallen plaatsen
in te nemen. In 1875 werd op de toenmalige havezathe ''t Huis Noord-Deurningen'
door zusters uit het Duitse Thuïne een klooster gesticht. Daarin is nu
nog steeds het het provinciaat van de zusters Franciscanessen gevestigd.
Het monument staat bij de St.Nicolaaskerk en is vervaardigd door de Hengelose
beeldhouwer Martin Stolk. 'Zij kwamen om te dienen' zo luidt het opschrift,
van deze beeldengroep.
In
1988 kreeg meester Willem Dingeldein, de grote heemkundige, een waardig
eerbetoon in een borstbeeld nabij zijn geboorte-, woon-, en werkhuis aan
de Wiptoen te Denekamp. Beeldend kunstenaar Marie van Eyl-Eitink vervaardigde
het. Meester Willem Dingeldein is een man geweest, die op velerlei wijze
de liefde voor zijn 'schone Twentse land' heeft bezongen in woord en beeld.
Zijn talrijke publicaties en duizenden foto's vormen blijvende monumenten
in onze streekliteratuur. Hij was dorpsonderwijzer aan de Openbare Lagere
School van voor wereldoorlog II, waarop toen veel joodse leerlingen zaten.
Dingeldein was streekhistoricus, schrijver, fotograaf en natuurkenner.
Groot was zijn inspanning voor het behoud van de eeuwenoude klokken in
de toren van de St. Nicolaaskerk, die, na de Duitse roof, mede door zijn
speurzin in 1945 terug keerden in de kerk. Op 8 januari 1953 overleed
hij op een leeftijd van 58 jaar.
Op
het plein, naast de gelijknamige kerk staat het beeld van St. Nicolaas
met enkele kinderen, ontworpen en in brons gegoten door de bekende kunstenaar
Joseph Krautwald uit Rheine. In februari 1998 heeft de toen 33 jaar bestaande
carnavalsvereniging 'De Köttelpeer'n' dit kunstwerk als jubileumgeschenk
aangeboden aan de bevolking van Denekamp. Het symboliseert de band tussen
het carnaval in Denekamp en de gemeenschap rondom de grote St. Nicolaaskerk.
Vlak
naast de toren van de St. Nicolaaskerk staat de oude Mariaklok uit 1436
als monument opgesteld. In 1974 werd in de Mariaklok een barst geconstateerd.
Deze kon niet meer gerepareerd worden, daarom is in 1985 een nieuwe klok
van hetzelfde model gegoten en geplaatst in de klokkenstoel in de toren.
De oude klok is toen als monument naast de toren geplaatst. Deze Mariaklok
draagt het Latijnse randschrift, waarvan de vertaling luidt: 'Gemaakt
in het jaar des Heren 1436 tot uw meerdere gunst o moeder Gods. Bid voor
ons tot de gekruisigde , heerlijke maagd. Wilhelm heeft mij gemaakt.'
Het gewicht van de klok is 1359 kg en de toonhoogte was E. (zie verder
onder St. Nicolaaskerk.)
Aan de Oldenzaalsestraat staat een kunstwerk dat het 'Köttelpeer'nkearlke' wordt
genoemd. Vroeger stond dit kunstwerk op het punt waar de Vledderstraat
uitkomt op de Nordhornsestraat. Dit kunstwerk,
ontworpen door de Bornse kunstenaar Ruud Hallema, is geschonken door de
Denekampse ondernemers ter gelegenheid van de heropening van het aangepaste
winkelerf in het centrum van Denekamp op 29 augustus 1984. De naam is
afgeleid van de bijnaam van de Denekampers n.l. 'Köttelpeer'n'. Een köttelpeer
is een klein stoofpeertje in de vorm van een paardevijg. De naam wordt
nogal eens voor allerlei andere zaken gebruikt. Zo heet de oudste carnavalsvereniging
van Denekamp 'de Köttelpeer'n'.
Op
het Nicolaasplein in Denekamp staaat sinds 20 mei 2010 een maquette, die
de stichting Heemkunde in 2007 de gemeenschap symbolisch heeft aangeboden
bij de opening van het gemeentehuis.
De maquette stelt het oude hart van het
dorp voor. Het kunstwerk is 90 bij 90 centimeter groot en staat op een
natuurstenen voet. De maquette herinnert aan de tijd voor de doorbraak,
toen in het centrum van het dorp bij de kerk drie straten bij elkaar kwamen,
de Oldenzaalsestraat, de Grotestraat en de Wilhelminastraat. De doorbraak
- de aanleg van de doorgaande weg dwars door het dorp - in de jaren 60
van de vorige eeuw had grote gevolgen voor het historische hart van het
dorp. Veel karakteristieke panden werden afgebroken. Heemkunde wil met
de maquette de herinnering aan het oude dorp levend houden.
Om permanent de aandacht te blijven vestigen
op de gevolgen van de wereldoorlogen en het gevaar van opkomend geweld
en racisme is dit monument in opdracht van het gemeentebestuur van Denekamp
ontworpen door de beeldende kunstenaar Frans Peeters uit Ootmarsum. Als
contrast met het zwarte vlak is een ronding ontstaan, die het zonlicht
opvangt. In deze ronding zijn roestvrij stalen cijfers gezet met jaartallen,
die door de dubbele zonnewijzer worden geaccentueerd. Het water, dat over
het zwarte graniet loopt, brengt leven in het monument. De rouwbrief is
een strofe uit een gedicht van Leo Vroman. De tekst op de rouwbrief luidt:
"Kom vanavond met verhalen hoe de oorlog is verdwenen en herhaal ze
honderd malen alle malen zal ik wenen." De tekst wordt donker als
het water er over en door loopt. Als de waterloop in regelmaat wordt onderbroken,
valt de tekst droog en licht grijs op. Het vredesmonument is op 22 april
1994 onthuld door Z.K.H. Prins Bernard. Het vredesmonument staat op het
'herdenkingsplein' tussen de St. Nicolaaskerk en de Van der Heijdenstraat.
In
de Vledderstraat staat een klein monumentje ter nagedachtenis aan de uit
Denekamp gedeporteerde joden. Op 3 mei 1988 is dit monument onthuld op
de plaats waar eens een synagoge stond. Beeldend kunstenaar, Truus Menger,
bekend als verzetsstrijdster uit de groep van Hannie Schaft, heeft voor
Denekamp dit veelzeggende beeldje gemaakt. Het stelt een moeder met kind
voor, die worden gedeporteerd. De uit die vroegere synagoge afkomstige
gevelsteen (1913?) met Hebreeuws opschrift (Ps.118:20) is nu verwerkt
in het monument. De vertaling luidt: Dit is de poort van Jahwe, Rechtvaardigen
gaan hierdoor naar binnen.Bij
het Irenegebouw op het Nicolaasplein staat het 'Joods monument' (2005).
Dit is een steen van zandsteen, waarvan de punt ontbreekt. Op de steen
is een bronzen plaquette met daarop een Davidsster aangebracht. De steen
symboliseert de onherstelbaarheid die de deportatie van de Denekampse
Joodse gemeenschap teweeg heeft gebracht. Het zandsteen, wat samengeperst
zand is, staat symbool voor de woestijnen waar de Joden 40 jaar door hebben
gezworven. Daarnaast lijkt de steen te zweven boven de Denekamper bodem.
Los van het dorp zoals de Joden in 40-45 zijn los gebroken uit de dorpsgemeenschap.
Oorspronkelijk bestond het monument alleen uit de bronzen plaquette.
In 2008 zijn de steen van zandsteen en de metalen plaquette met tekst
aan het gedenkteken toegevoegd. De tekst luidt: 'In de nacht van 17
op 18 november 1942 zijn van hier de laatste 30 mensen van de 57 leden
tellende joodse gemeenschap de dodenreis begonnen naar Auschwitz Birkenau,
niemand keerde terug. Hier begon: ‘’Opa’s eerste verre
reis en zijn allerlaatste trein’’ (Peter Schoof 2008)’.
Op
de Brink herinnert een gietijzeren dorpspomp aan de tijd van vóór
1952 toen Denekamp nog geen waterleiding kende. De pomp is in 1988 geschonken
door de Woningbouwvereniging St. Joseph bij haar 60-jarig bestaan.
De Joodse gemeenschap van Denekamp bleef in de loop van de negentiende
eeuw gestaag groeien, maar toch was er geen ritueel bad en geen godsdienstschool.
De synagoge werd in 1845 ingewijd. In 1949 werd deze afgebroken. Vanaf
1906 hoorde de joodse gemeente van Denekamp officieel bij Oldenzaal, maar
zij bleef zelfstandig functioneren. Na de opheffing van de Joodse gemeente
van Oldenzaal in 1913 werd Denekamp als zelfstandige Joodse gemeente erkend.
Gedurende de Duitse bezetting zijn vrijwel alle Denekampse joden via Westerbork
naar het Oosten gedeporteerd en daar vermoord.
De zondag vóór pasen wordt palmpasen
of palmzondag genoemd. Kinderen krijgen dan een palmpasen, een dunne stok,
waar aan de bovenkant een bosje palm of buxus gebonden zit. Zo'n palmpasen
wordt voorzien van een rad en een haan van brooddeeg en verder van diverse
lekkernijen als koekjes, dadels, noten en ander snoepgoed. Met zo'n uitgedoste
palmpasen trokken de kinderen door dorp en buurtschap. In latere jaren
ontstonden de optochten van kinderen door het dorp Denekamp. In de middag
van palmzondag trekt een groep jongens in Denekamp van deur tot deur om
geld in te zamelen om de onkosten van de paasgebruiken te bestrijden.
In Denekamp gebeurt dat onder leiding van twee jongens, die Judas en Iscarioth
genoemd worden. Dat gebruik heet 'eiergaddern', omdat vroeger
veelal eieren werden ingezameld. Aan elke deur klinkt het 'eier, eier,
geld is ok good'. Na de gift luidt het 'Bedankt en ie wodt zundag
oetneudigd op 'n poasbult'. Op paaszaterdag werd nieuw wijwater gehaald.
Bijzonder te vermelden is dat de boeren hiermee die dag de weilanden en
akkers zegenden. In de week vóór pasen werd vroeger in Denekamp
hout gehaald, vooral op paaszaterdag. Op de andere dagen van de week ook
door bakkers, kruideniers en anderen die hun transportmiddel zelf nodig
hadden op zaterdag voor hun eigen nering. Op paaszondag na de middag trekt
een menigte onder leiding van Judas en Iscarioth naar het landgoed Singraven,
om daar aan de eigenaar ervan een boom te vragen die als paastaak dienst
kan doen. Nadat die gevraagd is door de twee aanvoerders, trekt de eigenaar
met hen mee het bos in om een geschikte boom aan te wijzen. Zodra de boom
geveld is, wordt deze van de meeste takken ontdaan. Alleen in de top blijven
er enige zitten om hem mee te kunnen slepen. Onder het zingen van de aloude
paasliederen trekt de menigte naar het dorp en daar, aan het begin van
de Wilhelminastraat, wordt de boom even neergelegd. Om drie uur is in
de St. Nicolaaskerk een lof of vespers, waarna de trektocht richting 'poasbult'
wordt vervolgd. Op deze plaats, zo'n 500 meter verderop aan de Berghummerstraat,
wordt de boom overeind gezet bij de 'boakn' in een kuil, die
elk jaar door dezelfde persoon wordt gegraven. Vóór de boom
met behulp van ladders wordt opgezet, wordt de teerton er bovenin bevestigd.
Judas en Iscarioth klimmen beurtelings op een ladder om vanaf hun hoge
zitplaatsen de boom, de teerton en de ijzeren ringen van de ton bij opbod
te verkopen. Dat gebeurt onder aanmoediging en kritiek vanuit de menigte
rond de boom. Is de verkoop afgelopen, dan trekt de menigte, paasliederen
zingend, onder het luiden van de torenklokken terug naar het dorp, naar
huis, om paaseieren te eten. Rond acht uur gaat men opnieuw naar de paasbult,
waar de teerton en het paashout in brand worden gestoken. Zodra het paashout
brandt, trekt men paasliederen zingend rond de brandende houtstapel. Als
grotendeels is opgebrand keert men terug naar huis.
Een
oud Twents gebruik dat ook in Denekamp nog wordt beoefend door een groep
blazers, de "Deankaamper Mirweenterhoarnbloazers", het blazen
gebeurt vanaf de eerste zondag van de advent tot en met Drie Koningen.
De oorsprong van het bespelen van het houten blaasintrument gaat waarschijnlijk
al terug tot ver voor het begin van onze jaartelling. Naar verluidt probeerden
de oerbewoners met het geluid de boze geesten te verdrijven en de vruchtbaarheidsgeest
aan te roepen. Vanaf het moment dat het christelijke geloof zich over
Europa uitbreidde, kondigde de midwinterhoorn de geboorte van het Kerstkind
aan.
Werkgroep Herdenken
Denekamp en Kay Schutte